In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vaststelling van de WOZ-waarde van een onroerende zaak centraal. Verweerder had de waarde vastgesteld op €2.138.000, maar eiseres maakte bezwaar tegen deze beschikking. Na een zitting op 13 augustus 2024 bereikten partijen een compromis waarbij zij overeenkwamen de waarde te stellen op €1.300.000. De rechtbank sloot zich aan bij dit compromis en verklaarde het beroep gegrond.
De onroerende zaak betreft een winkelruimte van circa 511 m2 en een opslagruimte van circa 43 m2. De waardepeildatum was 1 januari 2022. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en wijzigde de beschikking conform het compromis. Tevens bepaalde de rechtbank dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Eiseres had verzocht om een proceskostenvergoeding, maar de rechtbank wees dit af omdat eiseres de gevraagde huurovereenkomst pas laat had overgelegd, namelijk op 9 juli 2024, terwijl verweerder deze meermaals had opgevraagd. De rechtbank vond dit te laat en zag daarom geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.H. Bergman en griffier B. van Eeuwijk op 27 augustus 2024. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.