ECLI:NL:GHDHA:2025:2224
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over WOZ-waarde en proceskostenvergoeding bezwaarfase
Belanghebbende, huurder van een winkelpand, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 2.138.000 voor 2023. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank stelde de waarde vast op € 1.300.000 na een compromis waarbij partijen overeenstemming bereikten over de waardepeildatum.
Belanghebbende vorderde tevens een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase, maar de rechtbank wees dit af omdat de huurovereenkomst pas laat werd overgelegd, wat verwijtbaar was. In hoger beroep stond enkel de vraag centraal of belanghebbende recht had op proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb Pro alleen kosten worden vergoed indien het bestuursorgaan verwijtbaar onrechtmatig heeft gehandeld. Nu belanghebbende de huurovereenkomst pas in beroep overlegde en niet in bezwaar, was er geen verwijtbaar handelen van de heffingsambtenaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.