ECLI:NL:RBDHA:2024:13766
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens ernstige verdenking mishandeling
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de door de korpschef verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, nadat een serieuze verdenking van zware mishandeling tegen hem bestond. De korpschef trok de toestemming in op grond van de betrouwbaarheidseisen uit de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
Tijdens de zitting heeft verzoeker betoogd dat hij onschuldig is en dat de aangifte en getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, mede vanwege alcoholgebruik van de betrokkenen. Hij stelde dat de korpschef zijn bevoegdheid heeft misbruikt en dat het OM nog geen besluit heeft genomen, waardoor de intrekking onterecht is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de korpschef zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat verzoeker onvoldoende betrouwbaar is. De ernst van de verdenking en het letsel van het slachtoffer rechtvaardigen de intrekking als passend en noodzakelijk middel. Ook is voldaan aan het recht op hoor en wederhoor. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat dit oordeel voorlopig is en geen invloed heeft op een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wordt afgewezen.