ECLI:NL:RVS:2024:614
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J. Schipper-Spanninga
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onnodig geweld
De korpschef van politie verleende in 2018 toestemming aan Security Service Limburg B.V. om appellant als beveiliger te laten werken, maar trok deze toestemming in januari 2020 in na twee geweldsincidenten in een horecagelegenheid waarbij appellant betrokken was.
Het eerste incident in april 2019 betrof een vechtpartij waarbij een bezoeker ernstig letsel opliep door meerdere harde klappen van appellant. Het tweede incident in september 2019 betrof een klap met een vuist in het gezicht van een bezoeker, resulterend in ziekenhuisbehandeling. Appellant stelde dat hij uit noodweer of noodweerexces handelde, maar dit werd niet aannemelijk geacht.
De rechtbank oordeelde dat de korpschef bevoegd was de toestemming in te trekken omdat appellant onvoldoende betrouwbaar is voor beveiligingswerkzaamheden. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de aard van de beveiligingsbranche hoge eisen stelt aan betrouwbaarheid en integriteit, waarbij het gebruik van onnodig geweld een ernstige aantasting van de rechtsorde vormt.
De Afdeling bestuursrechtspraak acht de intrekking proportioneel en gegrond, mede gezien het korte tijdsbestek tussen de twee incidenten en de ernst daarvan. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de toestemming voor appellant om als beveiliger te werken wordt bevestigd wegens onvoldoende betrouwbaarheid door onnodig en buitenproportioneel geweld.