ECLI:NL:RBDHA:2024:13904

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2024
Publicatiedatum
30 augustus 2024
Zaaknummer
NL23.27314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minister in proceskosten na intrekking tijdelijke beschermingsbesluit Oekraïense derdelander

Verzoeker, een Oekraïense derdelander, kreeg bij besluit van 29 augustus 2023 te horen dat zijn tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG zou eindigen. Hiertegen stelde hij beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Verweerder trok het besluit op 27 februari 2024 in, waarna verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening introk en gelijktijdig proceskostenvergoeding vorderde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking van het besluit neerkomt op het geheel tegemoetkomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, omdat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit feitelijk werden opgeschort. Verweerder had bovendien aan de Tweede Kamer en burgemeesters bericht dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming werd bevroren en verzoeker werd geïnformeerd over de verlenging van zijn verblijfsrecht.

De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, conform artikel 8:75a Awb.

Deze uitspraak bevestigt dat bestuursorganen bij het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan een verzoek om voorlopige voorziening kunnen worden veroordeeld in de proceskosten, ook als het verzoek wordt ingetrokken.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €875 na intrekking van het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming.

Uitspraak

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27314

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 29 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Verzoeker heeft beroep (NL23.27313) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 27 februari 2024 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit heeft ingetrokken. Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig verzocht om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Als een verzoek om een voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [1]
2. In een voorlopigevoorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [2]
3. Na de indiening van het verzoek heeft verweerder aan de Tweede Kamer en alle burgemeesters bericht dat de beëindiging van tijdelijke bescherming voor personen zoals verzoeker wordt bevroren. Bij brief van 6 september 2023 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat hij langer gebruik mag maken van zijn tijdelijke bescherming. Dit kon verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek op 4 september 2023 nog niet weten.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat met het alsnog bepalen dat verzoeker een langer verblijfsrecht heeft, tegemoet is gekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening. Daarmee heeft verweerder de rechtsgevolgen van het bestreden besluit feitelijk opgeschort en heeft verzoeker gekregen wat hij wilde bereiken.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 29 augustus 2024 door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
2.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.