Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Oekraïense derdelander, kreeg bij besluit van 29 augustus 2023 te horen dat zijn tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG zou eindigen. Hiertegen stelde hij beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. Verweerder trok het besluit op 27 februari 2024 in, waarna verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening introk en gelijktijdig proceskostenvergoeding vorderde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking van het besluit neerkomt op het geheel tegemoetkomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, omdat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit feitelijk werden opgeschort. Verweerder had bovendien aan de Tweede Kamer en burgemeesters bericht dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming werd bevroren en verzoeker werd geïnformeerd over de verlenging van zijn verblijfsrecht.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, conform artikel 8:75a Awb.
Deze uitspraak bevestigt dat bestuursorganen bij het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan een verzoek om voorlopige voorziening kunnen worden veroordeeld in de proceskosten, ook als het verzoek wordt ingetrokken.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van €875 na intrekking van het besluit tot beëindiging van tijdelijke bescherming.