Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Opposant heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak waarin zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
De kern van het geschil betrof de vraag vanaf welk moment de beslistermijn voor de asielaanvraag van opposant is gaan lopen, mede in het licht van de Dublinverordening en de situatie rond Italië. Opposant stelde dat de beslistermijn eerder was aangevangen en dat de ingebrekestelling van 11 maart 2024 daarom niet prematuur was. De rechtbank oordeelde dat vanaf 26 april 2023 duidelijk was dat Nederland verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag, mede vanwege de onmogelijkheid tot overdracht aan Italië.
De rechtbank stelde vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden op 26 april 2023 begon en door een verlenging op grond van WBV 2022/22 tot 26 juli 2024 liep. De ingebrekestelling was daarom te vroeg ingediend. De rechtbank concludeerde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard en dat hierover geen redelijke twijfel bestond. Het verzet werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is ongegrond verklaard.