ECLI:NL:RBDHA:2024:13922
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens verhuur zonder huisvestingsvergunning bevestigd
Eiser, eigenaar van een woning in Den Haag, kreeg een bestuurlijke boete van €10.000,- opgelegd wegens het in gebruik geven van woonruimte aan een huurder zonder huisvestingsvergunning. Eiser voerde in beroep aan dat verwijtbaarheid ontbrak, dat de boete disproportioneel was en dat de Huisvestingsverordening onduidelijk is. Tevens stelde hij dat het Centrum Jeugd en Gezin (CJG) een rol had en dat het boeterapport onzorgvuldig was.
De rechtbank oordeelde dat het niet beschikken over een huisvestingsvergunning een overtreding is en dat eiser als professionele verhuurder verantwoordelijk is voor naleving van de regels. De bewering dat het CJG of de gemeente had verzocht om onderdak doet hieraan niet af. Het bestuursorgaan mocht afgaan op het boeterapport en er was geen aanleiding om de bevindingen te betwijfelen. Verwijtbaarheid werd niet uitgesloten, mede omdat eiser nog geen vergunning had aangevraagd en niet bereid was dit te doen.
De rechtbank vond de boete proportioneel en de vaste gedragslijn van het bestuursorgaan om direct een boete op te leggen niet onredelijk. Er waren geen bijzondere omstandigheden die matiging rechtvaardigen. Het beroep tegen het eerste bestreden besluit werd gegrond verklaard wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het beroep tegen het nader gemotiveerde tweede besluit werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €10.000,- wegens verhuur zonder huisvestingsvergunning wordt bevestigd.