ECLI:NL:RBDHA:2024:13941
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening voor opvang verzoekster en haar dochter na beëindiging Rva-verstrekkingen
Verzoekster, die in het bezit was van een asielvergunning en na intrekking daarvan dakloos werd, verbleef met haar dochter tijdelijk in opvang van het COa op grond van uitstel van vertrek rondom haar bevalling. Na afloop van dit uitstel werd het recht op opvang beëindigd en werd verzoekster uit de opvang gezet. Zij en haar dochter verblijven nu op straat, in een auto, zonder alternatieve opvangmogelijkheden.
Het COa stelt dat verzoekster niet meer onder de categorieën valt waarvoor opvang wordt geboden en dat er geen acute noodsituatie is. Verzoekster betwist dit en overlegt een verklaring van Vluchtelingenwerk Nederland waaruit blijkt dat zij geen toegang heeft tot andere opvang of familie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangen van verzoekster en haar dochter om snel onderdak te krijgen zwaarder wegen dan het belang van het COa om alleen opvang te bieden aan de in de Rva 2005 genoemde categorieën. Gezien de spoedeisendheid en de uitzonderlijke situatie wordt de voorlopige voorziening toegewezen. De COa wordt veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoekster.
Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt voortzetting van opvang aan verzoekster en haar dochter totdat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan.