ECLI:NL:RBDHA:2024:13996
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Ethiopië
Eiser, van Ethiopische nationaliteit en behorend tot de Amhaarse minderheid, vreesde vervolging door de Oromo’s en Shene groepering vanwege etnische conflicten en persoonlijke familiegeschiedenis. Hij baseerde zijn asielaanvraag op aanvallen op zijn familie en negatieve benadering door Oromo-jongeren.
De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een individuele gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank oordeelde dat hoewel de geloofwaardigheid van de feiten niet ter discussie stond, deze niet leiden tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Eiser had zelf geen gerichte bedreigingen of aanvallen ondervonden in de woonplaats waar hij verbleef.
De rechtbank volgde de minister in de beoordeling dat de algemene situatie in Ethiopië en het Oromo gebied niet zodanig instabiel is dat alleen de etnische afkomst van eiser een risico oplevert. Ook de beweringen over mogelijke rekrutering door de Shene groepering werden onvoldoende concreet bevonden.
De rechtbank concludeerde dat geen sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer en verklaarde het beroep ongegrond. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.