ECLI:NL:RBDHA:2024:14024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
3 september 2024
Zaaknummer
NL24.30678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stellen asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende op 9 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister stelde deze aanvraag op 30 juli 2024 buiten behandeling omdat eiser op 21 mei 2024 zonder toestemming met onbekende bestemming vertrok. De rechtbank behandelde het beroep op 29 augustus 2024, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

De rechtbank stelde ambtshalve vast dat eiser op 10 juni 2024 asiel had aangevraagd in Zwitserland en daarna opnieuw met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser kon niet aantonen dat er na 21 mei 2024 nog contact was geweest met eiser of dat eiser nog in Nederland verbleef. Volgens vaste rechtspraak wordt dan aangenomen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

Hoewel de gemachtigde stelde dat er sprake was van procesbelang vanwege het tekenen van een consequentieverklaring zonder tolk en overleg, vond de rechtbank dit onvoldoende om het procesbelang aan te nemen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelde zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30678

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes-de Jonge).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] . Hij heeft op 9 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 juli 2024 buiten behandeling gesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld, samen met zaaknummer NL24.30679. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft laten weten dat eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting verschijnen.

Het bestreden besluit

2. De minister heeft eisers aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers is namelijk gebleken dat eiser op 21 mei 2024 met onbekende bestemming is vertrokken. Volgens de minister is niet gebleken dat eiser een geldige reden heeft om zonder toestemming te vertrekken.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat eiser op 10 juni 2024 asiel heeft aangevraagd in Zwitserland. Op 3 juli 2024 hebben de Zwitserse autoriteiten de minister laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
6. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 19 augustus 2024 verzocht haar te laten weten of hij na 21 mei 2024 nog contact heeft gehad met eiser over de voortgang van de procedure en of hij op de hoogte is van eisers verblijfplaats in Nederland en als dat niet het geval is, om aan te geven wat volgens hem het procesbelang bij het onderhavige beroep is.
7. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 27 augustus 2024 schriftelijk laten weten dat hij van mening is dat sprake is van procesbelang, omdat eiser een consequentieverklaring heeft getekend in de HTL, terwijl niet duidelijk is of daar een tolk bij aanwezig is geweest. Evenmin is gebleken dat eiser in de gelegenheid is gesteld om hierover met zijn gemachtigde te overleggen.
8. Volgens vaste rechtspraak moet er, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [1] Dit is slechts anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft en waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dat kader moeten worden gemaakt.
9. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser geen antwoord heeft gegeven op de vraag of hij na 21 mei 2024 nog contact heeft gehad met eiser over de voortgang van de procedure en of hij op de hoogte is van eisers verblijfplaats in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser heeft laten weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en nog prijs stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Uit het dossier blijkt bovendien dat eiser asiel heeft aangevraagd in Zwitserland en vervolgens (opnieuw) met onbekende bestemming is vertrokken. Gelet op de onder overweging 8 genoemde rechtspraak is de rechtbank daarom van oordeel dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag. De stelling van eisers gemachtigde dat sprake is van procesbelang, gelet op de gang van zaken rond het tekenen van de consequentieverklaring, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579)