Eisers, van Algerijnse nationaliteit, dienden op 4 april 2024 asielaanvragen in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eisers eerder in Frankrijk asielverzoeken hadden ingediend. Nederland verzocht Frankrijk om overname, wat werd geaccepteerd.
Eisers voerden aan dat het belang van hun minderjarige kinderen, met name de jongste dochter met een ernstige oogafwijking, onvoldoende was meegewogen. Zij stelden dat de minister niet expliciet had getoetst aan artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening en dat medische zorg in Frankrijk mogelijk zou worden geweigerd.
De rechtbank oordeelde dat de minister binnen de Dublinverordening voldoende rekening had gehouden met het welzijn van de kinderen, dat Frankrijk medische zorg en voorzieningen garandeert, en dat de stelling dat medische zorg zou worden geweigerd onvoldoende concreet was onderbouwd. De minister mocht zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel beroepen en hoefde de asielaanvragen niet onverplicht in behandeling te nemen.
De beroepen werden ongegrond verklaard en het besluit van de minister bleef in stand. Eisers kregen geen proceskostenvergoeding.