ECLI:NL:RBDHA:2024:14287

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 september 2024
Publicatiedatum
6 september 2024
Zaaknummer
AWB 22-625
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling COA in proceskosten na intrekking beroep wegens alsnog verlenen opvang

Verzoekster diende op 4 februari 2022 beroep in tegen het niet verlenen van opvang door het COA en vroeg tevens een voorlopige voorziening. Aanvankelijk werden digitale procedures gevoerd, maar later werden papieren dossiers aangelegd. Verzoekster trok haar beroep op 14 mei 2022 in, omdat het COA alsnog bereid was opvang te verlenen.

De rechtbank oordeelt dat het COA ten onrechte aannam dat verzoekster beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor studiedoeleinden. Verzoekster had op 6 en 29 januari 2022 opvang gevraagd, terwijl haar mvv op dat moment niet meer geldig was. Desondanks werd opvang op 30 januari 2022 geweigerd.

Op grond van artikel 8:75a van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten als het tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroep. De rechtbank veroordeelt het COA daarom tot betaling van € 437,50 aan proceskosten, gebaseerd op een puntensysteem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 5 september 2024 door rechter J.F.I. Sinack en griffier A.S.J.I. Hendrickx, en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het COA wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/625

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en

het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa), verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 4 februari 2022 beroep ingesteld naar aanleiding van het niet verlenen van opvang bij het COa. Tevens heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot het verlenen van de opvang. In eerste instantie zijn voor beide rechtsmiddelen ten onrechte digitale procedures gestart. (NL22.1852 en NL22.1856). Op 28 april zijn alsnog papieren dossiers aangelegd (Awb 22/625 en Awb 22/626).
Verzoekster heeft het beroep op 14 mei 2022 ingetrokken, met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten, omdat verweerder alsnog heeft aangegeven bereid te zijn om opvang aan verzoekster te verlenen.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De rechtbank stelt vast dat het COa aan verzoekster is tegemoetgekomen door aan haar alsnog opvang te verlenen. Uit de stukken volgt namelijk dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat verzoekster in het bezit was van een geldige mvv voor studiedoeleinden. Naar onbetwist is gesteld heeft verzoekster – na het indienen van haar asielaanvraag - op 6 en 29 januari 2022 gevraagd om opvang. Uit de aan verzoekster verleende mvv volgt dat deze op dat moment niet langer geldig was. Desondanks is aan verzoekster op 30 januari 2022 nogmaals opvang geweigerd.
3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 437,50 (vierhonderdzevenendertig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 5 september 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.