Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 7 februari 2023, waarna verweerder de beslistermijn met negen maanden verlengde. Eiser stelde verweerder op 22 mei 2024 in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder eerst een nader gehoor moet afnemen en vervolgens een besluit moet nemen. Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-.
De rechtbank wijst op recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State die bepaalt dat de bestuursrechter in asielzaken wel een dwangsom kan opleggen ondanks een tijdelijke wet die dit zou uitsluiten. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 437,50 vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier M.M. Mulder en is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2024. Eiser krijgt hiermee gelijk en verweerder wordt verplicht binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.