Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2024 in de zaken tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
daarnate legitimeren, het doel van binnentreden te melden en de machtiging tot binnentreden te tonen. Anderzijds is in het proces-verbaal schriftelijk verslag over het binnentreden eerst vermeld dat verbalisanten
voorafgaandaan het binnentreden van de woning zich hebben gelegitimeerd, het doel van binnentreden hebben gemeld en de machtiging tot binnentreden hebben getoond. Verderop in het proces-verbaal schriftelijk verslag over het binnentreden staat vervolgens dat de verbalisanten de moedersleutel hebben gebruikt om de deur te openen, het licht hebben aangedaan en hebben gezegd: ‘goedemorgen, politie’. Vervolgens hebben zij daarna hun legitimatie getoond, het doel van de binnentreding werd vermeld en de machtiging tot binnentreding getoond. Op de zitting heeft de minister voor dit verschil geen verklaring gegeven. Dit betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld op welk moment de verbalisanten zich hebben gelegitimeerd en de mededeling hebben gedaan van het binnentreden. Omdat niet vastgesteld kan worden op welk moment verbalisanten zich hebben gelegitimeerd en de mededeling is gedaan van het doel van het binnentreden, moet het ervoor worden gehouden dat in strijd met artikel 1, eerste lid, van de Awbi is gehandeld.
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor eisers geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?10. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eisers verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregelen tot aan 16 augustus 2024 onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 1.200 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
mr. S.M. Hampsink, griffier.