ECLI:NL:RBDHA:2024:1439
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering bevestiging optieverklaring wegens onduidelijkheid nationaliteit moeder bij geboorte
Eiseres, geboren in 1949 in het buitenland en houder van de Britse nationaliteit, verzocht om bevestiging van haar optieverklaring om het Nederlanderschap te verkrijgen. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde dit omdat niet kon worden vastgesteld dat haar moeder, die door geboorte Nederlander was, ten tijde van de geboorte van eiseres nog de Nederlandse nationaliteit bezat. Dit vanwege het ontbreken van een gelegaliseerde huwelijksakte en de vermoedelijke verkrijging van de Britse nationaliteit van de moeder door huwelijk met een Britse man.
Eiseres stelde dat haar moeder nooit afstand had gedaan van het Nederlanderschap en zelfs tot haar overlijden in het bezit was van een Nederlands paspoort. De rechtbank oordeelde echter dat het bezit van een paspoort geen sluitend bewijs is voor het Nederlanderschap en dat eiseres onvoldoende objectief bewijs had geleverd om de nationaliteit van haar moeder op het moment van haar geboorte vast te stellen.
De rechtbank verwees naar de Rijkswet op het Nederlanderschap en de British Nationality and Status of Aliens Act 1914, die bepalen dat een Nederlandse vrouw door huwelijk met een niet-Nederlander tot 1964 haar Nederlanderschap kon verliezen. Omdat eiseres niet kon aantonen dat haar moeder ten tijde van haar geboorte nog Nederlander was, was de weigering van de optieverklaring terecht.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat de minister terecht de optieverklaring heeft geweigerd wegens onvoldoende bewijs dat de moeder van eiseres ten tijde van haar geboorte Nederlander was.