Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. Verweerder heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, ondanks een verlenging van de beslistermijn met drie maanden. Eiser heeft verweerder vervolgens in gebreke gesteld en daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en de ingebrekestelling en het beroep tijdig zijn ingediend. De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op aan verweerder, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek nodig is en dit schriftelijk wordt meegedeeld aan eiser.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, die worden vastgesteld op €437,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde.
De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat partijen geen zitting hebben verzocht, en bevestigt het belang van tijdige besluitvorming bij nareisaanvragen.