De zaak betreft de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen. De twee oudste kinderen verblijven in een pleeggezin vanwege gedragsproblemen en een onveilige thuissituatie, terwijl het jongste kind met de moeder in een moeder-kindhuis woont.
De gecertificeerde instelling verzoekt de verlenging van de uithuisplaatsing van de oudste twee kinderen en machtiging voor het jongste kind. De moeder staat achter de plaatsing van de oudste twee, maar verzet zich tegen de machtiging voor het jongste kind, dat bij haar verblijft in het moeder-kindhuis.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de uithuisplaatsing van de oudste twee kinderen noodzakelijk is vanwege hun complexe problematiek en het belang van structuur in het pleeggezin. Voor het jongste kind is een machtiging niet nodig omdat het in het moeder-kindhuis verblijft waar de moeder zelf zorgt voor de opvoeding en verzorging.
De beschikking verlengt de machtiging voor de oudste twee tot 12 juni 2025 en wijst het verzoek voor het jongste kind af. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.