ECLI:NL:RBDHA:2024:1449

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
9 februari 2024
Zaaknummer
NL23.40148
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een asielzoeker van Azerbeidzjaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Roemenië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft onderzocht of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië kan worden betwist vanwege vermeende slechte opvangomstandigheden en pushbacks. Eiser verwees naar rapporten en eerdere uitspraken, maar slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro strijdige behandeling.

De rechtbank volgt de recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bevestigt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat de enkele omstandigheid van pushbacks onvoldoende is om overdracht te weigeren.

Ook het beroep op artikel 17 Dublinverordening Pro wegens onevenredige hardheid wordt verworpen, omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn aangetoond. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40148

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Luijendijk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser is van Azerbeidzjaanse nationaliteit en is geboren op [datum]. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 december 2023 niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL23.40149.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek op 31 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
1.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Dit staat in de Dublinverordening. Verweerder neemt een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval is uit Eurodac gebleken dat eiser eerder in Roemenië een asielaanvraag heeft gedaan. Eiser is daarom gehoord over zijn bezwaren om terug te keren naar Roemenië. Eiser heeft verklaard dat hij in Roemenië is aangehouden bij een poging tot doorreis vanuit Oekraïne, dat zijn vingerafdrukken zijn afgenomen en dat hem is aangezegd dat hij een beslissing zou krijgen over zijn asielaanvraag. Ook is hij naar een plek verwezen, maar is eiser zelf naar een hotel gegaan voor overnachting. Eiser wil niet terugkeren, omdat hij meent daar geen asiel te hebben aangevraagd, omdat hij daar slecht is behandeld en omdat hij meent dat Roemenië geen democratisch land is.
2.2.
Verweerder heeft de Roemeense autoriteiten verzocht om terugname van eiser. Zij hebben dit verzoek op 25 september 2023 aanvaard. Op grond hiervan heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Roemenië kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat lidstaten erop vertrouwen dat asielzoekers in overeenstemming met internationale en Europese regelgeving behandeld worden.
Standpunt eiser
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Roemenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat de opvang in Roemenië te wensen overlaat en er pushbacks plaatsvinden. In dit verband heeft eiser verwezen naar twee uitspraken over Roemenië van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. [2] Ook heeft eiser verwezen naar in deze zaken betrokken rapporten over Roemenië van het Asylum Information Database (AIDA) en van klikAktiv. [3] Eiser heeft gesteld dat verweerder nader onderzoek moet doen naar de situatie in Roemenië en zich niet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan beroepen. Daartoe heeft eiser verder gesteld dat sprake is van een (in)direct refoulement, dat hij vreest voor een pushback, dat Roemenië de Opvang-, Procedure- en Definitierichtlijn onvoldoende nakomt en dat het indienen van een asielaanvraag met de waarborgen die daarbij horen niet is gegarandeerd. Eiser heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat overdracht van een onevenredige hardheid getuigt en dat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moet trekken.
Oordeel rechtbank
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in een recente uitspraak geoordeeld dat verweerder bij het overdragen van Dublinclaimanten aan Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. [4] Hierbij heeft de Afdeling het voornoemde AIDA rapport en een recenter rapport van klikAktiv betrokken. [5] Volgens de Afdeling is de enkele omstandigheid dat in Roemenië pushbacks plaatsvinden op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat Roemenië zich ten aanzien van Dublinclaimanten niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. In het geval van een Dublinclaimant verloopt de terugkeer naar Roemenië immers niet via deze buitengrens, maar met een legale inreis.
4.2.
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling af te wijken, dan wel voor het oordeel dat ten aanzien van Roemenië niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Roemenië als Dublinterugkeerder te vrezen heeft voor een pushback en dat sprake is een (in)direct refoulement. De enkele herhaalde verwijzingen naar de rapporten van AIDA en klikAktiv (december 2021) acht de rechtbank onvoldoende, omdat deze informatie niet ingaat op Dublinterugkeerders.
Voor zover eiser zich beroept op het rapport van klikAktiv van januari 2023 en zich op het standpunt heeft gesteld dat de Afdeling niet heeft betrokken dat dit rapport melding heeft gemaakt van één geval van een pushback van een Dublinterugkeerder, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in haar oordeel expliciet is ingegaan op deze melding betreffende S.A. [6] Doorslaggevend is geacht dat niet onderbouwd is dat deze vreemdeling daadwerkelijk een asielaanvraag had ingediend waarop nog niet was beslist en dat de informatie in het rapport alleen is gebaseerd op verklaringen van vreemdelingen en niet is gebleken dat de door hen gestelde feiten zijn gecontroleerd of door andere bronnen worden bevestigd. Eiser heeft dit in beroep niet betwist of weerlegd. Voorts laat de stelling van eiser dat de mogelijkheid tot het indienen van een asielverzoek niet gegarandeerd is, onverlet dat uit het claimakkoord blijkt dat de Roemeense autoriteiten hebben aangegeven dat eisers asielaanvraag nog in behandeling is. Ook slagen de stellingen van eiser dat de opvang in Roemenië te wensen overlaat en dat Roemenië de Europese Richtlijnen onvoldoende nakomt niet, omdat eiser deze niet nader heeft onderbouwd in het licht van de voornoemde rechtspraak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige behandeling.
5. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zou moeten worden afgezien van overdracht aan Roemenië. Verweerder heeft daarbij alle door eiser aangevoerde omstandigheden en belangen kenbaar en deugdelijk betrokken in zijn beoordeling. Bij eventuele voorkomende problemen in Roemenië is het aan eiser om zich te beklagen bij de daartoe geëigende instanties, dan wel bij de (hogere) autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat het overdrachtsbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraken van 1 en 15 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12389 en ECLI:NL:RBDHA:2023:12915.
3.AIDA Country report: Romania 2022 update, van mei 2023, en het rapport van klikAktiv “New Developments on the Balkan Refugee Route: Illegal Push Backs from Romania to Serbia”, van december 2021.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4844.
5.Het rapport van klikAktiv “Formalizing Pushbacks – The use of readmission
6.Zie de voornoemde uitspraak van 27 december 2023, overweging 4.5.