Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 27 november 2022, waarna verweerder de beslistermijn met negen maanden verlengde. Eiser stelde verweerder na het verstrijken van deze termijn in gebreke en startte daarna het beroep.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het belang van een zorgvuldige besluitvorming en het recht van eiser om op een voornemen te reageren.
Verder legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €7.500 voor het geval verweerder de beslistermijn overschrijdt. De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de artikelen over dwangsommen in de Awb ook op asielaanvragen van toepassing zijn. Tot slot veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser van €437,50.