ECLI:NL:RBDHA:2024:14638

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2024
Publicatiedatum
16 september 2024
Zaaknummer
AWB 24/2604
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening verblijfsvergunning

Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro, welke door verweerder bij besluit van 24 januari 2024 werd afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Vervolgens diende zij op 28 februari 2024 een aanvraag in voor een verblijfdocument EU/EER.

Bij besluit van 24 mei 2024 verleende verweerder aan verzoekster verblijfsrecht op basis van artikel 10 van Pro Verordening 492/2011. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster haar voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet in deze procedure tegemoet is gekomen aan verzoekster, maar in een andere procedure. Daarom is er geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het verzoek om proceskosten werd afgewezen en de uitspraak werd zonder zitting gedaan op 11 juli 2024.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat de tegemoetkoming in een andere procedure heeft plaatsgevonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/2604

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo)
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 11 april 2023 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 28 februari 2024 heeft verzoekster een aanvraag om een verblijfdocument EU/EER ingediend. Bij besluit van 24 mei 2024 is aan verzoekster een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van Pro Verordening 492/2011 verleend.
Verzoekster heeft daarop de voorlopige voorziening ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3. Er kan aanleiding bestaan voor een proceskostenveroordeling als verweerder aan de vreemdeling is tegemoet gekomen of als het procesbelang anderszins door toedoen van verweerder is vervallen. In dit geval is daarvan geen sprake, omdat verweerder een aanvraag om een verblijfsrecht heeft ingewilligd in een andere procedure. Verweerder is dus niet – zoals verzoekster stelt - tegemoet gekomen aan haar verzoek in deze procedure, maar in een andere procedure. [1] In de gronden van het verzoek in deze procedure ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er daarom in deze procedure geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2024.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.