ECLI:NL:RBDHA:2024:14765
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
De rechtbank overweegt dat eiser door Frankrijk een Schengenvisum is verstrekt en via Frankrijk de EU is binnengekomen. De minister heeft op basis van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is. Eiser heeft bezwaren ingebracht tegen de overdracht aan Frankrijk, maar deze zijn volgens de rechtbank niet voldoende onderbouwd en de minister heeft deze bezwaren inhoudelijk beoordeeld.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt vanwege opvangproblemen in Frankrijk en matige tolkenkwaliteit, maar de rechtbank oordeelt dat deze omstandigheden niet leiden tot een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook het beroep op artikel 17 Dublinverordening Pro om de aanvraag in Nederland te behandelen wordt verworpen omdat er onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn.
Hoewel eiser slachtoffer is van mensenhandel en medische problemen stelt te hebben, is niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzondere bescherming nodig heeft. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.