ECLI:NL:RBDHA:2024:14768
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat op grond van de Dublinverordening Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling. Tevens verzocht eiser om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 30 augustus 2024 behandeld. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is en dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat Oostenrijk de internationale verplichtingen niet naleeft. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling of pushbacks.
Eiser voerde aan dat zijn neef in Nederland bijzondere individuele omstandigheden vormt die een inhoudelijke behandeling rechtvaardigen, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening te rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter W.B. Klaus en griffier M.A.J. Arts.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.