ECLI:NL:RBDHA:2023:11400
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep samen met andere zaken behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.
De rechtbank oordeelt dat Nederland terecht heeft vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is, omdat Oostenrijk niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek tot terugname, wat gelijkstaat aan acceptatie. Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet mag worden toegepast en dat hij risico loopt op refoulement bij terugkeer naar Oostenrijk, onder meer vanwege verschillen in beschermingsbeleid voor Ahmadi’s en vermeende tekortkomingen in de Oostenrijkse asielprocedure.
De rechtbank verwerpt deze betogen omdat eiser onvoldoende concrete en onderbouwde aanwijzingen heeft geleverd dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat er sprake is van een fundamenteel verschil in beschermingsbeleid. Ook het beroep op artikel 16 van Pro de Dublinverordening wegens een afhankelijkheidsrelatie met zijn broer in Nederland wordt afgewezen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke relatie.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de staatssecretaris de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijft in stand.