ECLI:NL:RBDHA:2024:14798
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld en dat het besluit vernietigbaar was, onder meer omdat persoonlijke omstandigheden niet in het voornemen waren meegenomen en er sprake was van standaardisatie en slordigheid. De rechtbank oordeelde dat het herhalen van zienswijzen onvoldoende onderbouwing bood om het besluit te vernietigen.
De rechtbank overwoog dat het voornemen een voorbereidingshandeling is zonder rechtsgevolg en dat eiser via de zienswijze gelegenheid had gehad om te reageren. De minister had voldoende gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is en had alle relevante elementen in het besluit opgenomen.
De rechtbank vond de stelling over strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel ongegrond, aangezien een kennelijke verschrijving in de beschikking niet tot onzorgvuldigheid leidt. Het beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.