ECLI:NL:RBDHA:2024:14798

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
18 september 2024
Zaaknummer
NL24.30445 en NL24.30446
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbDublinverordeningartikel 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar de minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld en dat het besluit vernietigbaar was, onder meer omdat persoonlijke omstandigheden niet in het voornemen waren meegenomen en er sprake was van standaardisatie en slordigheid. De rechtbank oordeelde dat het herhalen van zienswijzen onvoldoende onderbouwing bood om het besluit te vernietigen.

De rechtbank overwoog dat het voornemen een voorbereidingshandeling is zonder rechtsgevolg en dat eiser via de zienswijze gelegenheid had gehad om te reageren. De minister had voldoende gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is en had alle relevante elementen in het besluit opgenomen.

De rechtbank vond de stelling over strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel ongegrond, aangezien een kennelijke verschrijving in de beschikking niet tot onzorgvuldigheid leidt. Het beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.30445 en NL24.30446
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 augustus 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1990 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser verzoekt om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder stelt eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de beschikking voor vernietiging vatbaar is. Verweerder heeft zijn standpunt met betrekking tot de persoonlijke situatie van eiser niet opgenomen in het voornemen. Ook in de beschikking is er sprake van standaardisatie en slordigheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. Over de stelling van eiser dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de betrachten zorgvuldigheid door in het voornemen geen individuele argumenten op te nemen, overweegt de rechtbank dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Ook als de verklaringen van eiser niet kenbaar zijn betrokken in het voornemen heeft eiser door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid om te reageren op het voornemen. Bovendien kan een standaardvoornemen wel aan de vereisten voldoen. [2] De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen voldoende duidelijk uiteen heeft gezet op grond van welke redenen Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en ook dat verweerder geen reden ziet om eisers asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen. In het besluit is verweerder ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd.
7. De rechtbank volgt de stelling van eiser dat de beschikking in strijd is met zorgvuldigheid niet. In de beschikking staat weliswaar dat eiser zich bij problemen in Duitsland dient te wenden tot de Spaanse autoriteiten, maar dit maakt niet dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vindt het aannemelijk dat er sprake is van een kennelijke verschrijving nu uit de beschikking duidelijk blijkt dat het om Duitsland gaat.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.