Eiser, een Algerijnse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, is op 30 augustus 2024 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op meerdere gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het niet naleven van een terugkeerbesluit en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats.
Eiser heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld, dat op 13 september 2024 is behandeld. De rechtbank constateert dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden en dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel niet toereikend is. De rechtbank stelt vast dat de gronden 3a, 3i, 4a en 4c niet zijn bestreden en dat grond 3c terecht tegen eiser is ingebracht.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting, onder meer door het houden van een vertrekgesprek op dag vijf van de bewaring. Er is geen zicht op het ontbreken van uitzettingsmogelijkheden naar Algerije. De belangen van eiser zijn meegewogen, waaronder medische zorg in detentie, maar zijn persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen geen opheffing van de maatregel.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.