ECLI:NL:RBDHA:2024:14922
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Tadzjiekse nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser voerde aan dat het besluit onbevoegd was genomen, dat er risico op refoulement bestaat en dat verweerder ten onrechte stelde dat hij geen gezinslid is in de zin van de Dublinverordening. Ook stelde hij dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld en onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn medische situatie.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is. De rechtbank wijst erop dat het besluit weliswaar onjuist is ondertekend, maar dat dit gebrek kan worden gepasseerd omdat het besluit door een bevoegde ambtenaar is ondertekend en eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Duitsland systeemfouten vertoont die een risico op schending van non-refoulement opleveren.
Verder is verweerder binnen zijn ruime beoordelingsmarge gebleven bij het niet toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank vindt ook dat de verwarring tussen vader en zoon in de beschikking een kennelijke verschrijving betreft die niet leidt tot strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 875,-.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.