ECLI:NL:RBDHA:2024:14934
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 2 mei 2024 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd reeds eerder door de rechtbank getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot het moment van sluiting van het onderzoek op 11 juni 2024. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld zonder zitting, waarbij de kernvraag was of het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser voerde aan dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit en dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten geen reële kans van slagen heeft, waardoor het zicht op uitzetting ontbreekt.
De rechtbank oordeelde dat de minister een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten had gedaan, maar dat eiser geen bewijs van zijn Algerijnse nationaliteit had geleverd. De aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten was gebaseerd op belgegevens waaruit bleek dat eiser twee keer naar Marokko had gebeld, wat voldoende aanknopingspunt is voor het lp-traject. Hierdoor is het zicht op uitzetting naar Marokko niet uitgesloten.
De rechtbank vond geen aanleiding om te concluderen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.