Eiseres, een Iraakse advocaat, diende samen met haar echtgenoot een visumaanvraag in voor kort verblijf in Nederland om familie te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens redelijke twijfel over hun terugkeer naar Irak, gebaseerd op onvoldoende bewijs van sociale en economische binding.
Eiseres stelde dat zij en haar echtgenoot een sociaal netwerk, een goede baan en onroerend goed in Irak bezitten, en verwees naar eerdere visa en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat deze elementen onvoldoende waren onderbouwd met objectief bewijs, zoals regelmatige inkomensdocumenten, en dat het bezit van onroerend goed geen sterke economische binding vormt.
De rechtbank stelde verder vast dat de minister terecht van het horen van eiseres kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Eiseres had meerdere kansen gehad om bewijsstukken aan te leveren maar deed dit niet, en een mondelinge toelichting kon het ontbreken van documenten niet compenseren.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en het besluit tot afwijzing van de visumaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.