Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 25 januari 2023, waarna de minister volgens de verlengde beslistermijn van het besluit WBV 2023/3 uiterlijk op 25 april 2024 had moeten beslissen.
De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van WBV 2023/3 terecht is toegepast, waardoor de minister na die datum in gebreke was gebleven. Eiseres stelde de minister op 26 april 2024 in gebreke en diende vervolgens tijdig beroep in.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen, rekening houdend met een nader gehoor en een zorgvuldige besluitvorming. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres van € 437,50 vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verklaart het beroep gegrond.