Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel familie en gezin. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen een besluit genomen. Eiser stelde verweerder in gebreke en diende vervolgens beroep in bij de rechtbank omdat de beslistermijn was overschreden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, aangezien verweerder niet tijdig heeft beslist en geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een langere beslistermijn rechtvaardigen. De rechtbank legt een termijn van twee weken op waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100 per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500. Ook wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 437,50 vanwege het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier D.D. Bijlhout en is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2024.