Eiser betwist de definitieve jaarafrekening van de verdragsbijdrage over 2019 van het CAK, waarin een buitenlandbijdrage van €2.439,28 is vastgesteld. Het geschil betreft de vraag vanaf welk moment eiser woonachtig was in Duitsland, aangezien dit bepalend is voor de bijdrageplicht.
De rechtbank overweegt dat eiser sinds 28 maart 2019 als verdragsgerechtigde in Duitsland staat ingeschreven en recht heeft op medische zorg in dat land. Hoewel eiser stelt pas vanaf november 2019 belastingplichtig te zijn in Duitsland en pas op 16 oktober 2019 uit Hongarije te zijn uitgeschreven, heeft hij dit niet met bewijs onderbouwd.
De rechtbank volgt de criteria van het Hof van Justitie EU voor het bepalen van de woonplaats en concludeert dat het gewone centrum van belangen van eiser vanaf 28 maart 2019 in Duitsland ligt. De bijdrage is daarom terecht berekend over negen maanden.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat het CAK de wettelijke termijnen voor het vaststellen van de jaarafrekening niet heeft overschreden en dat een eventuele termijnoverschrijding niet leidt tot verval van de bijdrageplicht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.