Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 9 oktober 2022. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden plus verlenging van negen maanden besloten, waardoor de uiterste beslistermijn op 9 januari 2024 lag.
Eiser stelde verweerder op 8 februari 2024 in gebreke, waarna hij beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twaalf weken op, korter dan het gebruikelijke 8+8 wekenmodel, om een balans te vinden tussen snelle en zorgvuldige besluitvorming.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500. Ook veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser van € 437,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier I. Abdilahi en is op 7 juni 2024 in het openbaar bekendgemaakt. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken.