ECLI:NL:RBDHA:2024:15455

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
27 september 2024
Zaaknummer
NL24.35303
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank bij beroep tegen niet nemen besluit staandehouding en ophouding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet nemen van een besluit tot staandehouding en ophouding voorafgaand aan een maatregel van bewaring. De rechtbank stelt vast dat er geen besluit tot staandehouding en ophouding is genomen, omdat eiser zich al in de macht van de minister bevond toen de maatregel van 2 september 2024 werd voorbereid.

De rechtbank oordeelt dat zij onbevoegd is om te oordelen over het beroep tegen het niet nemen van een besluit, omdat een dergelijk besluit niet bestaat. Daarnaast heeft eiser geen procesbelang bij het verzoek om schadevergoeding, aangezien eerder al is vastgesteld dat de eerdere maatregel van 19 maart 2024 onrechtmatig was en daarvoor schadevergoeding is toegekend.

De rechtbank overweegt ook dat eiser zelfstandig beroep heeft ingesteld tegen de maatregel van 2 september 2024, dat op dezelfde zitting zal worden behandeld. Daarom wordt het beroep tegen het niet nemen van een besluit afgewezen en het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen het niet nemen van een besluit tot staandehouding en ophouding en verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35303

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Procesverloop

Eiser heeft een beroepschrift ingediend. Hierin voert hij gronden aan met betrekking tot de staandehouding en ophouding. De rechtbank heeft dit beroep opgevat als een beroep tegen het niet nemen van een besluit tot staandehouding en ophouding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De voor dit beroep relevante feiten en omstandigheden
1. De minister heeft eiser op 19 maart 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op 29 augustus 2024 heeft eiser een asielaanvraag gedaan. Tegen het voortduren van de maatregel van bewaring heeft eiser vervolgberoep ingesteld. De minister heeft op 2 september 2024 de maatregel opgeheven en op dezelfde dag eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Op 9 september 2024 heeft deze rechtbank op het vervolgberoep van eiser beslist en bepaald dat de maatregel van 19 maart 2024 vanaf 1 september 2024 onrechtmatig was. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
2. Eiser voert aan dat de minister hem voorafgaand aan de maatregel van 2 september 2024 opnieuw had moeten staande houden en ophouden, omdat de vorige maatregel vanaf 31 augustus 2024 onrechtmatig geworden. Daarnaast voert eiser aan dat hij tussen 31 augustus 2024 en 2 september 2024 onrechtmatig in bewaring heeft gezeten, omdat de minister hem voorafgaand aan de maatregel van 2 september 2024 niet heeft staande gehouden en opgehouden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er terecht op heeft gewezen dat er geen besluit tot staandehouding en ophouding is genomen. Dat was ook niet nodig omdat eiser zich al in de macht van de minister bevond toen de inbewaringstelling van 2 september 2024 werd voorbereid. Nu er geen besluit is genomen, kan daartegen ook geen beroep worden ingesteld. De rechtbank is dan ook onbevoegd om over het beroep van eiser, gericht tegen het niet nemen van een besluit tot staandehouding en ophouding, te oordelen. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij zijn verzoek om schadevergoeding, omdat bij de uitspraak van 9 september 2024 al is vastgesteld dat de maatregel van 19 maart 2024 vanaf 1 september 2024 onrechtmatig was. Eiser heeft daarvoor ook al een schadevergoeding toegekend gekregen. Met dit verzoek kan eiser niet bereiken dat daarover nogmaals wordt beslist door de rechtbank.
2.2.
Door wat hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank zich nog de vraag gesteld of eiser misschien beroep had willen instellen tegen de maatregel van bewaring van 2 september 2024. Die vraag is ontkennend beantwoord omdat eiser tegen die maatregel zelfstandig beroep heeft ingesteld dat op de zitting van 24 september 2024 zal worden behandeld.

Conclusie en gevolgen

3. De rechtbank is onbevoegd en het verzoek om schadevergoeding is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen het niet nemen van een besluit tot staandehouding en ophouding;
- verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 9 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14657.