ECLI:NL:RBDHA:2024:15762
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank het beroep van eiseres, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en het verzoek tot terugname door Polen is aanvaard.
Eiseres stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt ten opzichte van Polen vanwege onvoldoende opvangplaatsen en een onveilige situatie voor haar en haar kinderen. Daarnaast voerde zij aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met haar kwetsbaarheid en dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden om de aanvraag onverplicht aan zich te trekken.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vertrouwensbeginsel niet meer geldt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent bevestigd dat Polen als verantwoordelijke lidstaat mag worden vertrouwd. Eiseres heeft geen objectieve informatie overlegd die haar stellingen ondersteunt en ook geen bewijs geleverd van bijzondere kwetsbaarheid. Het beroep op artikel 17 faalde Pro omdat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een onverplichte aanname van de aanvraag rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.