ECLI:NL:RVS:2024:3455
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
De vreemdeling met de Syrische nationaliteit heeft vanuit Belarus meerdere keren geprobeerd Polen binnen te komen en heeft bij de vierde poging internationale bescherming gevraagd. De minister nam zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling, omdat op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de minister onvoldoende had gemotiveerd of de vreemdeling een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling (pushbacks) in Polen, mede omdat hij niet was ingegaan op de verklaringen van de vreemdeling. De minister ging in hoger beroep en stelde dat hij uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen sprake is van systeemfouten die overdracht onmogelijk maken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de minister weliswaar een motiveringsgebrek had, maar dat hij in het hoger beroep voldoende onderzoek heeft gedaan en zijn standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtsgevolgen van het besluit blijven daarom in stand. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit van 20 april 2022 blijven in stand ondanks het motiveringsgebrek, omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat Polen verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.