ECLI:NL:RBDHA:2024:15794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
2 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.36252
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring en verzoek schadevergoeding afgewezen

Eiser, een Algerijnse nationaliteithebbende, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 21 juni 2024 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. Hij betwist dat er binnen een redelijke termijn zicht is op uitzetting naar Algerije, mede omdat de Algerijnse autoriteiten volgens hem niet bereid zijn een laissez-passer te verstrekken. Tevens voert hij aan dat de belangenafweging in zijn voordeel uit moet vallen vanwege zijn gezinsleven met vrouw en zoon in Frankrijk.

De rechtbank toetst of de maatregel rechtmatig is vanaf het sluiten van het onderzoek op 6 augustus 2024. Uit het vertrekgesprek en de overgelegde stukken blijkt niet dat de Algerijnse autoriteiten de verstrekking van een laissez-passer hebben geweigerd. Eiser weigert echter mee te werken aan zijn terugkeer, onder meer door het niet overleggen van zijn Algerijnse paspoort, waardoor vertraging voor zijn rekening komt.

De gronden voor de maatregel, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht, blijven van kracht. Het gezinsleven is onvoldoende onderbouwd. De ambtshalve toetsing leidt niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36252

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.C. de Jong),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek
gesloten op 24 september 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 6 augustus 2024.
4. Eiser stelt dat hij uit een vertrekgesprek met DT&V [3] heeft begrepen dat de Algerijnse autoriteiten niet bereid zijn om een lp [4] af te geven. Dit is echter niet uit het verslag van het gesprek af te leiden. Verder constateert eiser dat er nog altijd geen presentatie is gepland, ondanks de regelmatige rappels van verweerder. Eiser meent daarom dat niet aannemelijk is dat de Algerijnse autoriteiten binnen een redelijke termijn het verzoek om een lp gaan oppakken. Hij betwist dan ook dat er een reëel zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn is. Eiser stelt dat de belangenafweging in zijn voordeel uit dient te vallen, mede gelet op het gezinsleven met zijn vrouw en zoon in Frankrijk.
5. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om te oordelen dat zicht op uitzetting ontbreekt. Dat er tot op heden nog geen (positieve) reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, maakt niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 12 september 2024 blijkt niet dat aan eiser de mededeling is gedaan dat er geen lp verstrekt zal worden.
6. In dat kader weegt de rechtbank verder mee dat eiser geen invulling wil geven aan zijn meewerkplicht. Zo heeft eiser verklaard dat hij beschikt over een Algerijns paspoort, maar hij laat na om deze te overleggen. Ook heeft eiser tijdens het vertrekgesprek op 12 september 2024 nogmaals verklaard dat hij zijn paspoort of een kopie daarvan niet zal laten toesturen, omdat hij niet naar Algerije zal gaan. Gelet op het feit dat op eiser een plicht rust om in het kader van zijn terugkeer zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat eventuele vertraging in het proces voor rekening en risico van eiser zelf is.
7. Niet is betwist dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, waaruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt, nog altijd van toepassing zijn. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, aanleiding hadden moeten geven om de bewaring op te heffen. Het gezinsleven in Frankrijk is nog altijd niet onderbouwd, dus dit maakt dat ook niet anders.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 oktober 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10534 en 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12953.
3.Dienst Terugkeer en Vertrek.
4.Laissez-passer.