De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser, Somalische nationaliteit, stelde minderjarig te zijn geboren in 2006 en getuige te zijn geweest van de moord op zijn neef, wat hij als grond voor asiel aanvoerde. Verweerder achtte de identiteit en discriminatie geloofwaardig, maar vond de moordverklaring onvoldoende onderbouwd en wijzigde de leeftijd op basis van verklaringen van familieleden in een nareisprocedure, waardoor eiser als meerderjarig werd beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat de leeftijdsaanpassing onzorgvuldig was omdat de verklaringen niet waren overgelegd en eiser niet op de hoogte was van de nareisprocedure. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigde het volgen van de oorspronkelijke minderjarige registratie. De rechtbank vernietigde daarom het terugkeerbesluit gedeeltelijk wegens strijd met de Algemene wet bestuursrecht.
Voor het overige bleven de besluiten in stand. De rechtbank vond dat verweerder voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van eiser en dat de moordverklaring en discriminatie onvoldoende zwaarwegend waren voor een verblijfsvergunning. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.