Eiser is sinds 12 maart 2024 in bewaring gesteld op grond van verschillende bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, geldt sinds 21 juni 2024 en duurt voort. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de verzwaarde belangenafweging die na zes maanden inbewaringstelling wordt gemaakt niet per se in het besluit hoeft te blijken, omdat de minister op het moment van het verstrijken van de zesmaandentermijn niet verplicht was een verlengingsbesluit te nemen. Deze belangenafweging is opgenomen in de voortgangsrapportage (Model M120) en is voldoende gemotiveerd, onder meer door het frustreren van het onderzoek naar identiteit en nationaliteit door eiser en de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van zijn uitzetting op korte termijn.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Algerije. De nationaliteit is bevestigd, er zijn meerdere vertrekgesprekken gevoerd, en de minister heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De vertraging in het proces ligt niet aan de minister maar aan de verwerkingstijd bij de Algerijnse autoriteiten.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.