ECLI:NL:RBDHA:2024:1600
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres, van Guinese nationaliteit, verzocht om een visum kort verblijf, dat door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen wegens onvoldoende sociale en economische binding met Guinee. Eiseres heeft een dochter en echtgenoot in Nederland, en familie in Guinee, maar kon niet aannemelijk maken dat zij zorg verleent aan hulpbehoevende familieleden of dat zij zelfstandig in Guinee in haar onderhoud kan voorzien.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte de belangen van de minderjarige dochter in het bestreden besluit niet kenbaar en deugdelijk heeft meegewogen, wat een motiveringsgebrek opleverde. Dit gebrek werd echter met de nadere toelichting ter zitting voldoende hersteld en gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro.
Verder werd geoordeeld dat het horen terecht was achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Eiseres slaagde er niet in om haar sociale en economische binding met Guinee met bewijsstukken te onderbouwen, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiseres. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.