Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats 1], verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college
[derde-partij], te [woonplaats 2] (vergunninghouder)
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Westland heeft verleend aan vergunninghouder voor het vergroten van een woning aan de achterzijde.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het bouwplan een uitbreiding van het hoofdgebouw betreft en niet een uitbouw met aanbouw, waardoor de hoofdregels van het bestemmingsplan van toepassing zijn. Het bouwplan voldoet aan de maximale bouwhoogte en goothoogte. Verder is geen strijd met de Bouwverordening of het Bouwbesluit vastgesteld, aangezien het college aannemelijk heeft gemaakt dat aan de relevante voorschriften wordt voldaan.
Verzoeker kon ook geen evidente privaatrechtelijke belemmering aantonen, omdat hij niet kon bewijzen mede-eigenaar te zijn van een mandelige muur die mogelijk gesloopt moet worden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, waardoor de omgevingsvergunning onverkort kan worden gebruikt.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor woninguitbreiding wordt afgewezen.