Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ingediend op 2 april 2023, waarna verweerder de beslistermijn verlengde met negen maanden op grond van de WBV 2023/3. Eisers stelden verweerder op 8 juli 2024 in gebreke, nadat de verlengde termijn was verstreken, waarna zij beroep instelden.
De rechtbank oordeelt dat verweerder binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit moet nemen, waarbij eerst binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet plaatsvinden, gevolgd door een besluit binnen acht weken daarna. Dit volgt het zogenoemde 8+8-wekenmodel dat door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is gehanteerd.
Verder legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 7.500,-. De rechtbank wijst ook een proceskostenvergoeding toe van € 437,50 aan eisers, aangezien zij een professionele juridische hulpverlener inschakelden. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verklaart het beroep gegrond.