ECLI:NL:RBDHA:2024:16430

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
C/09/668409 / HA RK 24-395
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker van Palestijnse afkomst

De rechtbank Den Haag behandelde op 10 oktober 2024 een verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een verzoeker geboren in Syrië uit een Palestijnse vader en een Libanese moeder. Verzoeker is erkend als Palestijns vluchteling en woont in Nederland. De IND steunde het verzoek.

De rechtbank onderzocht of verzoeker als onderdaan van Palestina, Syrië of Libanon kan worden beschouwd. Palestina wordt door Nederland niet erkend als staat, waardoor Palestijnen als staatloos gelden. Verzoeker bezit een Syrische identiteitskaart voor Palestijnen, maar niet de Syrische nationaliteit, omdat Palestijnen in Syrië niet kunnen naturaliseren en verzoekers vader geen Syrische nationaliteit heeft.

Ook de Libanese nationaliteit is niet van toepassing, omdat de moeder wel Libanees is, maar Libanese vrouwen hun nationaliteit niet aan kinderen kunnen doorgeven en naturalisatie voor Palestijnen in Libanon niet mogelijk is. De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd en stelde zijn staatloosheid vast.

De rechtbank wees het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt de staatloosheid van verzoeker vast en wijst het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 24-395
Zaaknummer: C/09/668409
Datum beschikking: 10 oktober 2024

Vaststellingsprocedure staatloosheid

Beschikking op het op 20 juni 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland,
advocaat: mr. A. Roozdar te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. S. Deniz.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 2 september 2024 van de IND;
- de brief van 23 september 2024 van verzoeker.
Omdat het advies van de IND overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van de staatloosheid van verzoeker, kosten rechtens.
De IND concludeert tot toewijzing van het verzoek.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de IND vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1977 te Syrië uit een Palestijnse vader en een Libanese moeder.
  • Verzoeker staat in de Basisregistratie Personen geregistreerd met nationaliteit “onbekend”.
  • Verzoeker is op onbekende datum Nederland ingereisd.
  • Voor zijn komst naar Nederland heeft verzoeker als Palestijns vluchteling in Syrië verblijf gehad.
  • Verzoeker is door UNRWA erkend als Palestijns vluchteling.
  • Aan verzoeker is met ingang van 18 november 2015 een verblijfsvergunning asiel afgegeven, geldig tot 18 november 2020. Op 25 januari 2021 is de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning verlengd tot 18 november 2025.
  • Verzoeker beschikt over een originele Syrische identiteitskaart voor Palestijnen, een origineel Syrisch rijbewijs, een origineel individueel uittreksel, een origineel familie uittreksel, welk stukken op echtheid zijn onderzocht door Bureau documenten van de IND dan wel de Koninklijke Marechaussee en zijn echt bevonden.
  • Verder beschikt verzoeker over een kopie UNRWA-kaart en een kopie familieboekje, welke stukken niet op echtheid zijn onderzocht.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Omdat verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn, tot aan zijn vlucht naar Nederland in Syrië te hebben gewoond en de moeder van verzoeker de Libanese nationaliteit heeft, ziet de rechtbank aanleiding om de Palestijnse Gebieden, Syrië en Libanon in de beoordeling te betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van Palestina beschouwd?
Gelet op de Syrische identiteitskaart voor Palestijnen en de UNRWA registratie kan volgens de rechtbank worden vastgesteld dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Op basis van de voor handen zijnde stukken valt echter niet vast te stellen dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft verkregen. Voor zover verzoeker wel de Palestijnse nationaliteit zou hebben, geldt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
De Syrische nationaliteit kan op grond van de Syrische nationaliteitswetgeving onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Verzoeker stelt dat zijn vader niet de Syrische nationaliteit heeft verkregen vanwege zijn Palestijnse afkomst. Er bestaat geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de vader van verzoeker van Palestijnse afkomst is. Uit de openbare werkinstructie 2020/19 Palestijnen, p. 4 en 7, volgt dat Palestijnen niet kunnen naturaliseren in Syrië. Dit maakt het aannemelijk dat verzoeker en zijn vader niet door naturalisatie de Syrische nationaliteit hebben verkregen. Dat verzoeker niet de Syrische nationaliteit heeft, wordt bevestigd door het feit dat verzoeker in het bezit is van een identiteitskaart voor Palestijnen, welke is afgegeven door de Syrische autoriteiten, waaruit blijkt dat verzoeker in Syrië is geregistreerd als een Palestijn en niet als Syrisch staatsburger. Een en ander wordt ook bevestigd door de overgelegde UNWRA-kaart.
De rechtbank vindt het – gelet op het voorgaande – niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de Syrische nationaliteit.
Wordt verzoeker als onderdaan van Libanon beschouwd?
Verzoeker heeft gesteld dat zijn moeder de Libanese nationaliteit heeft. Van de moeder van verzoeker zijn geen identiteitskaart of paspoort overgelegd waaruit deze nationaliteit blijkt. Wel blijkt uit het familie uittreksel van verzoeker dat de moeder daarin is vermeld met de Libanese nationaliteit. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de moeder van verzoeker de Libanese nationaliteit heeft.
Uit het Thematisch Ambtsbericht Palestijnen in Libanon (p. 17) blijkt dat een Libanese vrouw, getrouwd met een Palestijnse man, haar nationaliteit niet kan doorgeven aan haar kinderen. Dit wordt bevestigd door het UNHCR in de Background note on Gender Equality, Nationality, Laws and Statelessness 2024 (p.8).
Uit genoemd Thematisch Ambtsbericht (p. 15 en 16) volgt ook dat Palestijnen niet kunnen naturaliseren in Libanon. Ook kunnen buitenlandse mannen die getrouwd zijn met een Libanese vrouw niet via het huwelijk naturaliseren. Dit betekent dat de vader van verzoeker niet via het huwelijk de Libanese nationaliteit heeft verkregen, waardoor verzoeker ook niet de Libanese nationaliteit via zijn vader heeft kunnen krijgen.
Het is daarom aannemelijk dat verzoeker niet de Libanese nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker kan worden vastgesteld.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
De aard van de zaak verzet zich tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaring, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen
Proceskosten
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt de staatloosheid van verzoeker vast;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2024.