De rechtbank Den Haag behandelde op 10 oktober 2024 een verzoek tot vaststelling van staatloosheid van een verzoeker geboren in Syrië uit een Palestijnse vader en een Libanese moeder. Verzoeker is erkend als Palestijns vluchteling en woont in Nederland. De IND steunde het verzoek.
De rechtbank onderzocht of verzoeker als onderdaan van Palestina, Syrië of Libanon kan worden beschouwd. Palestina wordt door Nederland niet erkend als staat, waardoor Palestijnen als staatloos gelden. Verzoeker bezit een Syrische identiteitskaart voor Palestijnen, maar niet de Syrische nationaliteit, omdat Palestijnen in Syrië niet kunnen naturaliseren en verzoekers vader geen Syrische nationaliteit heeft.
Ook de Libanese nationaliteit is niet van toepassing, omdat de moeder wel Libanees is, maar Libanese vrouwen hun nationaliteit niet aan kinderen kunnen doorgeven en naturalisatie voor Palestijnen in Libanon niet mogelijk is. De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd en stelde zijn staatloosheid vast.
De rechtbank wees het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad af en bepaalde dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt.