ECLI:NL:RBDHA:2024:16591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure vreemdelingenwet
Bij besluit van 19 september 2024 is aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De zaak is schriftelijk behandeld en de rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 4 oktober 2024.
Eiseres voerde aan dat de maatregel had moeten worden opgeheven nadat haar Syrische identiteitsdocument als echt was bevonden, omdat terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade zou opleveren. Ook stelde zij dat de bewaring onnodig lang zou duren vanwege de geplande behandeling van haar asielberoep op 29 oktober 2024 en dat er geen zicht was op uitzetting.
De rechtbank overwoog dat de vrijheidsontnemende maatregel in het kader van het grensbewakingsbelang kan worden opgelegd en dat verweerder bij het opleggen niet verplicht was een pré-toets te doen naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. De geplande behandeling van het asielberoep en het ontbreken van zicht op uitzetting leiden niet tot onrechtmatigheid van de maatregel. De gronden voor de afdoening van het asielverzoek horen in de asielprocedure thuis, niet in de bewaringsprocedure.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.