ECLI:NL:RBDHA:2024:16742
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres uit de Filipijnen heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor verblijf bij een referent in Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 21 juni 2023 af vanwege onvoldoende onderbouwing van de sociale en economische binding met de Filipijnen. Eiseres diende bezwaar in, waarop de minister niet tijdig besliste, waarna eiseres een beroep niet tijdig beslissen instelde.
De minister nam op 17 februari 2024 alsnog een beslissing op het bezwaar, waarna het beroep werd uitgebreid tot de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het belang daarvan was komen te vervallen. Wel werd de minister veroordeeld in de proceskosten voor het niet tijdig beslissen.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de minister terecht van het horen van eiseres in bezwaar kon afzien, omdat zij geen nieuwe relevante informatie had aangeleverd die de eerdere afwijzing zou kunnen wijzigen. De minister had voldoende gemotiveerd dat de stukken onvoldoende waren om de sociale en economische binding met de Filipijnen aan te tonen. De aanvraag kon op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode worden afgewezen. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was, was geen dwangsom verschuldigd. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het visum is ongegrond verklaard.