ECLI:NL:RBDHA:2024:16794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
16 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.31390 en NL24.31391
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen overdrachtsbesluit Slovenië in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

Eiser, met Algerijnse nationaliteit, werd op 6 augustus 2024 overgedragen aan Slovenië op grond van een overdrachtsbesluit. Eiser had in augustus 2020 een eerdere asielaanvraag gedaan die niet in behandeling werd genomen omdat Slovenië verantwoordelijk was. In juli 2024 werd eiser in Nederland aangehouden en gedetineerd.

Eiser stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord voorafgaand aan het overdrachtsbesluit en dat het besluit in strijd was met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest omdat hij asiel wilde aanvragen. De rechtbank oordeelde dat eiser op het moment van het besluit geen asielaanvraag had ingediend, waardoor verweerder niet hoefde te toetsen aan deze artikelen en ook niet hoefde te horen over bezwaren.

De rechtbank stelde vast dat het feit dat eiser in detentie zat een tijdelijk feitelijk beletsel was dat de rechtmatigheid van het besluit niet aantastte. Eiser heeft zijn asielaanvraag inmiddels ingetrokken en wil terugkeren naar Algerije. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het overdrachtsbesluit aan Slovenië ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.31390 en NL24.31391
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser aan de autoriteiten van Slovenië zal worden overgedragen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn daarbij, met mededeling vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft eerder in augustus 2020 asiel aangevraagd. Zijn asielaanvraag is toen niet in behandeling genomen omdat is vastgesteld dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers aanvraag. Dit besluit staat in rechte vast. Op 28 juli 2024 is eiser in Nederland aangehouden als verdachte van een overtreding van het Wetboek van Strafrecht en vervolgens gedetineerd. Verweerder heeft de autoriteiten van Slovenië gevraagd om eiser terug te nemen en zij zijn hiermee akkoord gegaan. Daarop heeft verweerder het besluit genomen om eiser over te dragen aan Slovenië.
Wat vindt eiser in beroep?
2. Eiser stelt allereerst dat hij ten onrechte niet gehoord is door verweerder
voorafgaand aan het nemen van het overdrachtsbesluit. Het besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is het besluit in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [1] en artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Eiser wenste namelijk asiel aan te vragen. Bij het verhoor bij de politie op 29 juli 2024 heeft eiser al aangegeven asiel te willen aanvragen. De asielwens van eiser is doorgeleid naar de AVIM [2] op 9 augustus 2024. Tot slot is overdracht van eiser feitelijk en juridisch niet uitvoerbaar en niet haalbaar omdat eiser in de gevangenis zit.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De hoogste bestuursrechter heeft in een uitspraak van 5 maart 2015 [3] geoordeeld dat
een overdrachtsbesluit, wanneer iemand geen asielverzoek in Nederland heeft ingediend, slechts een kennisgeving is aan diegene dat hij wordt overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat. Verweerder hoeft daarbij niet te toetsen of de overdracht in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Wanneer iemand vreest bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in een situatie te komen die strijdig is met deze artikelen, kan hij een asielaanvraag indienen om dat in die procedure te laten beoordelen.
3.1.
Hoewel eiser stelt dat hij op 29 juli 2024 al heeft aangegeven asiel te willen aanvragen, is dit niet met stukken onderbouwd. De rechtbank houdt daarom de door verweerder geregistreerde aanvraagdatum 9 augustus 2024 aan. Dit betekent dat eiser op het moment van het nemen van het overdrachtsbesluit op 6 augustus 2024 geen asielaanvraag had ingediend en verweerder daarom niet hoefde te toetsen of eisers overdracht in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Verweerder heeft eiser daarom ook niet hoeven horen over zijn bezwaren tegen de overdracht. Dat eiser momenteel in strafdetentie zit, is een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel dat niet afdoet aan de rechtmatigheid van het besluit.
3.2.
Eiser heeft inmiddels zijn asielaanvraag ingetrokken en aangegeven terug te willen keren naar Algerije. Verweerder heeft op zitting aangegeven dat geprobeerd wordt om eiser over te dragen naar Algerije. Mocht dit niet lukken, dan wordt eiser overgedragen aan Slovenië.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond.
5. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-
ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en niet langer sprake is van connexiteit. [4]
6. Eiser heeft vrijstelling verzocht van het griffierecht. De rechtbank wijst dit toe.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
3.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:788.
4.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.