ECLI:NL:RBDHA:2024:17275
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseert dit op de verantwoordelijkheid van Duitsland volgens de Dublinverordening. Eiser stelt dat de overdracht aan Duitsland niet heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn en dat Nederland daarom verantwoordelijk is. Hij wijst op recente politieke ontwikkelingen in Duitsland, waaronder grenscontroles en een mesaanval, die volgens hem het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondermijnen en indirect refoulement veroorzaken.
De rechtbank oordeelt dat uit de stukken blijkt dat eiser op 22 december 2023 daadwerkelijk aan Duitsland is overgedragen, wat binnen de gestelde termijn is. De claimverzoeken van de minister aan Duitsland zijn geaccepteerd, waardoor Duitsland verantwoordelijk blijft. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank stelt vast dat binnen de Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of indirect refoulement dreigt, tenzij het vertrouwensbeginsel niet meer geldt. Dit is niet het geval. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.