ECLI:NL:RBDHA:2024:17290
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing proceskostenveroordeling na gedeeltelijke inwilliging visumaanvraag
Verzoeker had een voorlopige voorziening ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris het bezwaar van verzoeker gedeeltelijk ingewilligd door alsnog een visum voor 30 dagen te verlenen, terwijl verzoeker aanvankelijk een visum voor 90 dagen had gevraagd. Hierdoor trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om een proceskostenveroordeling.
De staatssecretaris verzette zich tegen de proceskostenveroordeling omdat de benodigde stukken pas tijdens de bezwaarprocedure waren overgelegd en niet in de aanvraagfase, en verwees naar de professionele bijstand van verzoekers gemachtigde en eerdere ervaring met visumaanvragen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het ontbreken van een waarschuwing en de mogelijkheid om stukken aan te leveren in de aanvraagfase geen bijzondere omstandigheid vormt die een proceskostenveroordeling uitsluit.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de gedeeltelijke tegemoetkoming van de staatssecretaris in het bezwaar aanleiding geeft tot toewijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding. De proceskosten werden vastgesteld op € 875,-, gebaseerd op de enkele proceshandeling van het indienen van het verzoekschrift. Daarnaast wees de voorzieningenrechter erop dat het betaalde griffierecht van € 187,- door de staatssecretaris kan worden vergoed.
De uitspraak is definitief en er staat geen hoger beroep of verzet open. De zaak betreft de toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan proceskosten na gedeeltelijke inwilliging van het visumverzoek.