ECLI:NL:RBDHA:2024:17294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
24 oktober 2024
Zaaknummer
SGR 23/5976
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 5:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen matiging boete voor tewerkstelling zonder vergunning ondanks beperkte verwijtbaarheid

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een stichting tegen een bestuurlijke boete opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens het tewerkstellen van een vreemdeling zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning of gecombineerde vergunning.

Op 29 november 2021 werd tijdens een controle vastgesteld dat twee personen sloopwerkzaamheden uitvoerden in het pand van de stichting, waarbij één persoon zonder vergunning werkte. De stichting erkende de overtreding, maar betwistte de hoogte van de boete en stelde dat zij beperkt verwijtbaar had gehandeld omdat zij een aannemer had ingeschakeld die zelfstandig de werkzaamheden uitvoerde en zij door de Covid-19 lockdown niet kon toezien.

De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was gebaseerd op een normale mate van verwijtbaarheid. De stichting had onvoldoende controle uitgeoefend en onvoldoende concreet onderbouwd waarom toezicht onmogelijk was. De rechtbank handhaafde de boete van €4.000 en wees het beroep af, waarbij ook geen proceskosten werden toegekend.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de boete van €4.000 wegens normale verwijtbaarheid en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5976

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.G. Evers),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.D.R. Mandel en mr. S. Alkema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de oplegging van een bestuurlijke boete.
1.1.
Bij besluit van 12 december 2022 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd wegens tewerkstelling van een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning en zonder een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 29 november 2021 hebben de politie en de Omgevingsdienst Midden-Holland het pand van eiseres aan het [adres] in [plaats] gecontroleerd. Toen is vastgesteld dat twee personen sloopwerkzaamheden uitvoerden. Eén van hen, de heer [naam] , had de Bosnische nationaliteit en was niet in het bezit van een identiteitsbewijs. Van de controle is een inspectierapport en een mutatierapport opgemaakt.
De Nederlandse Arbeidsinspectie (Inspectie) heeft vervolgens op basis van deze rapporten onderzoek ingesteld. In dit onderzoek is vastgesteld dat de heer [naam] niet beschikte over een tewerkstellingsvergunning en ook niet over een gecombineerde vergunning. De Inspectie heeft vastgesteld dat eiseres de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) heeft overtreden, door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning te werk te stellen. [1] Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 4.000,-.
Wat stelt eiseres in beroep?
3. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat haar beroep alleen is gericht tot de hoogte van de boete. Zij betwist de overtreding en haar overtrederschap niet.
De boete is te hoog, omdat eiseres beperkt verwijtbaar heeft gehandeld. Eiseres heeft een aannemer ingeschakeld om het pand te controleren op de aanwezigheid van asbest, niet om sloopwerkzaamheden uit te voeren. Deze werkzaamheden had de aannemer zelf kunnen uitvoeren. Eiseres wist niet dat [naam] zou worden ingeschakeld. Daarbij is de aannemer door eiseres gewaarschuwd dat hij alleen Nederlands personeel moest inschakelen. De aannemer heeft daaraan geen gehoor gegeven. Eiseres was ook niet in staat om op de uitvoering van de werkzaamheden toe te zien. Het bestuur van eiseres zat op het bewuste moment namelijk in het buitenland en kon door de Covid 19-lockdown niet naar Nederland komen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoogte van de boete naar behoren afgestemd op de verwijtbaarheid van de overtreding. [2] De rechtbank legt hierna uit hoe ze tot dit oordeel komt.
4.1.
Verweerder hanteert bij beboeting van overtredingen van de Wav als beleid dat bij normale verwijtbaarheid een boete van 50% van het boetenormbedrag wordt opgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit beleid redelijk. [3]
4.2.
Verweerder heeft de hoogte van de boete terecht gebaseerd op een normale mate van verwijtbaarheid. Eiseres heeft de aannemer namelijk toegang gegeven tot het pand en heeft vervolgens feitelijk geen controle uitgeoefend. Eiseres heeft de belemmeringen om controle uit te (laten) voeren door de Covid 19-lockdown niet concreet onderbouwd. Uit niets blijkt dat eiseres niet iemand langs kon laten gaan om de gang van zaken te controleren. Als eigenaar mocht van eiseres worden verwacht, dat ze zich beter zou inspannen om de onrechtmatige situatie in het pand te voorkomen. Bovendien heeft eiseres naar eigen zeggen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de aannemer buitenlands personeel zou inzetten. Er was dus alle aanleiding voor eiseres om controle te (laten) houden op de gang van zaken bij het pand.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van de Wav, artikel 2, eerste lid.
2.Algemene wet bestuursrecht, artikel 5:46, tweede lid.
3.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1973.