ECLI:NL:RVS:2022:1973
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging bestuurlijke boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [bedrijf] een boete van €36.000 op wegens negen overtredingen van artikel 2, eerste lid, en drie overtredingen van artikel 15a van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van [bedrijf] ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2017 onvoldoende onderscheid maakt naar de mate van verwijtbaarheid, wat onredelijk is. De Afdeling stelde dat differentiatie naar opzet, grove schuld, normale en verminderde verwijtbaarheid noodzakelijk is voor een passende boeteoplegging.
In deze zaak werd vastgesteld dat sprake was van normale verwijtbaarheid en geen grove schuld of opzet. De Afdeling matigde de boete naar 50% van het boetenormbedrag, met een verdere korting vanwege de periode tussen onderzoek en rapportage, waardoor de boete werd vastgesteld op €18.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van een meer gedifferentieerd boetebeleid door de minister en vervangt het eerdere besluit van de minister door deze uitspraak.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €18.000 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.