Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De zaak in het kort
2.De procedure
[naam 1] , en zijn advocaat. Namens het Hoogheemraadschap is verschenen de heer
[naam 2] , vergezeld door zijn advocaat mr. Barshini. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de rechtbank beantwoord en de zaak nader toegelicht. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
te [plaatsnaam] . Dit betreft een perceel grond gelegen aan een (singel)gracht, met daarop een kade met enkele parkeerplaatsen, nabij de [straatnaam] [huisnummer 1] , [huisnummer 2] en [huisnummer 3] te [plaatsnaam]
(hierna ook: het perceel).
- kort gezegd - in dat de toenmalige eigenaar het in zijn eigendom zijnde deel van de kade van de [straatnaam] binnen tien maanden moest herstellen. Indien niet aan de last onder bestuursdwang werd voldaan, dan zou de gemeente overwegen om de kade zelf te laten herstellen en de kosten daarvan te verhalen op de eigenaar of zijn rechtsopvolger.
(…)
geenonderdeel van de kering of van de weg. De aanliggende perceeleigenaar is dus verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de kademuur. (…)
voor eind 2019op kosten van de aanliggende perceeleigenaar de kademuur en het verzakte wegdeel ter hoogte van nr. [huisnummer 1] - [huisnummer 3] zelf zal herstellen en aan zal laten sluiten aan het huidige maaiveld van ca. 0,0 m NAP.
Met uitvoering van deze werkzaamheden is in principe de veiligheidsopgave van Delfland uitgevoerd. (…)
2028. Dit is ook het moment om te werken aan de verhoging van de kering op de [straatnaam] (voldoen aan de leggerhoogte). Delfland heeft hierbij een voorkeur voor een integrale ophoging van de weg/kering of het ophogen van de parkeervakken langs de waterkant.
[naam 1] , met als bijlage de leggerkaart en -tekst. In de e-mail schrijft [naam 3] het volgende:
5.De beoordeling
[naam 1] van 2 oktober 2019 en 24 oktober 2019 ten grondslag en de onder 3.8 en 3.12 genoemde reacties van het Hoogheemraadschap van 1 november 2019 en 5 november 2019. Uit deze e-mails leidde [eiser] af dat het Hoogheemraadschap verantwoordelijk was voor het herstel van de kade. Volgens [eiser] mocht hij er in de gegeven omstandigheden op vertrouwen dat de inlichtingen van het Hoogheemraadschap juist waren, omdat hij zich (bij monde van zijn makelaar) tot het Hoogheemraadschap heeft gewend met concrete vragen en omdat het Hoogheemraadschap op dat moment al op de hoogte was van de opgelegde last onder bestuursdwang. Verder was [naam 3] als handhaver de aangewezen persoon om de gestelde vragen te beantwoorden, heeft zij aan [naam 1] meegedeeld dat hierover intern overleg is gevoerd en zijn de gewraakte inlichtingen meermaals en zonder voorbehoud verstrekt.
[eiser] mocht namelijk in de gegeven omstandigheden op basis van de door het Hoogheemraadschap verstrekte inlichtingen niet redelijkerwijs erop vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen zijn gegeven over het herstel van de kade door het Hoogheemraadschap. Zij komt tot dit oordeel op basis van de volgende feiten en omstandigheden.
e-mail van [naam 1] van 2 oktober 2019 blijkt niet duidelijk wat moet worden verstaan onder de door hem genoemde kade. In deze e-mail wordt gesproken over “het perceel” en “de kade”, maar ook over “waterkeringen” en “overdimensionering”. Ook uit zijn e-mail van 4 november 2019 blijkt niet duidelijk wat onder “de kade” moet worden verstaan. Uit de vraagstelling van [naam 1] blijkt kortom niet duidelijk of met “de kade” (alleen) de waterkering is bedoeld of het (volledige) perceel. De vraag van de makelaar was daarmee voor verschillende uitleg vatbaar. Dit geldt eveneens voor de reacties van [naam 3] op de
e-mails van [naam 1] . Uit de diverse reacties van [naam 3] blijkt niet duidelijk of met “de kade” alleen de waterkering of het volledige perceel is bedoeld.
vanwegede last onder bestuursdwang namens hem contact is gezocht met het Hoogheemraadschap voorafgaand aan de koop van het perceel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] anders verklaard, namelijk dat hij pas later bekend is geworden met de last onder bestuursdwang. Volgens [eiser] is hij er pas op 1 november 2019 achter gekomen dat er een last onder bestuursdwang op het perceel rustte. Het Hoogheemraadschap betwist deze gewijzigde stelling van [eiser] . Wat daarvan ook moge zijn, het staat vast dat [eiser] in ieder geval ten tijde van de verzending van de e-mails van [naam 1] van 2 november 2019 en 4 november 2019 op de hoogte was van het feit dat er een last onder bestuursdwang op het perceel rustte. Eveneens staat vast dat hij deze relevante informatie niet met
[naam 3] heeft gedeeld. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op de weg van [eiser] , althans zijn makelaar gelegen. De last onder bestuursdwang was bovendien ingeschreven in de openbare registers en daarmee ten tijde van het eerste contact al kenbaar voor [eiser] , althans zijn makelaar. [eiser] heeft niet weersproken dat hij beschikte over de nodige kennis en ervaring op het gebied van vastgoed en hij werd bovendien bijgestaan door een deskundige makelaar. [eiser] wist bovendien dat het perceel in vervallen staat verkeerde en dat hij bij aankoop kosten zou moeten maken voor herstel. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat daarmee bij het bepalen van de prijs van het perceel rekening is gehouden. Onder deze omstandigheden mocht van [eiser] redelijkerwijs worden verwacht dat hij nader onderzoek zou verrichten naar de staat van het perceel, indien hij daarover zekerheid wilde. Het feit dat [eiser] , althans zijn makelaar daarbij de – voor hem eenvoudig toegankelijke – openbare registers desondanks niet heeft geraadpleegd kan hem daarom worden aangerekend.
conform tarief II)